Top of this document
Go directly to navigation
Go directly to page content

Wim Verbei
19 okt 2011

Voorstel voor experimenteerartikel samenwerking pers en omroep

Begin november kan de Tweede Kamer het voorstel tegemoet zien over het in de mediawet opnemen van een experimenteerartikel voor projectmatige samenwerking tussen regionale omroep en regionale kranten.

In haar zogeheten “juni-brief” meldde OCW-minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart al met een dergelijk voorstel te willen komen. Dit om de mediawettelijke belemmeringen voor regionale samenwerking weg te nemen. Een van de belangrijkste barrières op de weg naar bundeling van de journalistieke krachten in de regio, is namelijk de wetgeving rond de publiek gefinancierde regionale omroep, zo leert de praktijk.

Bureaucratisch

Het voorstel tot het opnemen van een experimenteerartikel is gebaseerd op een advies dat op verzoek van de directie Media, Letteren en Bibliotheken van OCW werd uitgebracht door mr. Inge Brakman, voorheen als juriste werkzaam voor het Commissariaat voor de Media.
Het advies brengt allereerst de wettelijke problemen van de huidige vormen van samenwerking in kaart. Bij ad hoc samenwerkingsverbanden – bijvoorbeeld rond thematische projecten of evenementen – vormt met name het reclameregime een obstakel voor het gezamenlijk opzetten van een website. De publieke regionale omroep heeft daarbij immers beperktere mogelijkheden dan het privaat gefinancierde regionale dagblad.
Bij samenwerking voor langere duur, gebaseerd op uitwisseling van redactioneel materiaal, toetst het Commissariaat de contracten, waarbij de partijen vooraf een indicatie moeten geven van de waarde van het materiaal dat uitgewisseld wordt. Dit heeft als consequentie dat elk project volledig op papier moet worden uitgewerkt voordat ermee gestart kan worden. Ook het bijhouden en verantwoorden van de gelijkwaardige inbreng van de betrokken partijen wordt als bureaucratisch en hinderlijk ervaren.
Om aan deze bezwaren van voorafgaande toetsing tegemoet te komen, zou in de mediawet een artikel kunnen worden opgenomen dat de mogelijkheid biedt om kleinschalig te experimenteren met publiek-private samenwerking, aldus het advies.

Uitgangspunten

Als vuistregels voor regelgeving rond publiek-private samenwerking in de regio formuleert het advies de volgende uitgangspunten:
- de publieke omroep draagt de eigen redactionele (eind)verantwoordelijkheid;
- de geldstromen van krant en omroep zijn gescheiden;
- er wordt een transparante administratie gevoerd;
- de samenwerking moet ten goede komen aan de publieke taak;
- voor samenwerking bij nevenactiviteiten mogen geen publieke middelen worden ingezet;
- de publieke omroep moet zich gedragen als marktpartij;
- de publieke omroep mag niet dienstbaar zijn aan winst van derden;
- de samenwerkende partner mag niet onevenredig profiteren.

Om te voldoen aan de Europese voorschriften zou de wettelijke basis voor een experimentele regeling daarom de volgende elementen moeten bevatten:
- onder de regeling vallen projecten met een maximale doorlooptijd van twee jaar;
- het moet om projecten gaan die gericht zijn op journalistieke versterking en daarmee vallen binnen de publieke taak van de omroep;
- de inbreng van de regionale publieke omroep zou op jaarbasis niet meer dan 5% van de omzet mogen bedragen;
- er moet sprake zijn van normaal economisch handelen;
- de samenwerkingsprojecten worden centraal geregistreerd bij een openbaar loket;
- bij klachten over concurrentievervalsing vindt alsnog toetsing door het Commissariaat voor de Media plaats.

Virtueel platform

Kern van het advies betreft kortom het inbouwen van een grotere flexibiliteit voor samenwerking en het vergroten van de wendbaarheid van de regionale journalistieke organisaties.
Behalve voor het experimenteerartikel pleit het advies ook voor het mogelijk maken van een platform of een nieuwe entiteit, opgericht door diverse mediapartners in de regio. De entiteit zou zich moeten richten op het uitwerken van nieuwe concepten, zowel journalistiek als technologisch en commercieel. Om de samenwerking tussen de partners in het platform een juridisch sterker fundament te geven, zou bepaald moeten worden dat hierbij sprake is van een hoofdactiviteit, waardoor een wettelijke basis wordt geleverd voor het met een private partij ontwikkelen van nieuwe producten.
Met ondersteuning van een dergelijk virtueel mediacentrum, waarbij uitdrukkelijk de aansluiting van andere journalistieke partners niet is uitgesloten, wordt, zo stelt het advies, de basis gelegd voor een sterkere samenwerking in de regio.

Bijdragen 
Reacties